Wetenschappelijk onderzoek

Hier worden 2 onderzoeken besproken:  Het eigen onderzoek naar “Scheelzien bij kinderen” (Strabismus, Ten Ham et.all 2004), en daaronder het onderzoek naar de oorzaak: “Waarom werkt osteopathie” (Degenhardt, et.all 2007). 

1. Scheelzien bij kinderen,  Ter afronding van de opleiding aan het College Sutherland te Amsterdam hebben we met 3 osteopaten van 1999 tot 2004 gewerkt aan een wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van osteopathie. Het betrof een onderzoek naar het effect van osteopathie bij kinderen met scheelzien, Strabismus.

Het onderzoek voldeed aan alle eisen die door de overheid gesteld worden via de Wet Medisch wetenschappelijk Onderzoek bij mensen, (Wet W.M.O.). Het onderzoek is vooraf protocollair voorgelegd en goedgekeurd door het M.E.T.C. van het Catharina zkh. te Eindhoven. Daarmee voldoet het aan de hoogste norm van medisch wetenschappelijk onderzoek. Vanwege de professionele opzet en de goede resultaten is het onderzoek met tien andere internationale studies in 2004 uitgekozen ter presentatie tijdens het Internationaal Wetenschappelijk Congres tijdens Internationaal Osteopatisch Congres te Wiesbaden, Duitsland.

Een samenvatting van het onderzoeksrapport volgt hieronder, wilt u het gehele
onderzoeksrapport inzien op PDF klik dan hier. Of hier voor een uitgebreide samenvatting.

Samenvatting onderzoek naar de effectiviteit van een osteopathische interventie bij
kinderen lijdend aan convergent/divergent strabismus. Het hiervoor gebruikte onderzoeksmodel was dat van een enkelblind gerandomiseerde prospectieve pilotstudy met gebruik van een controlegroep.
Na een voorbereidende fase waarin het opzetten van ons onderzoeksprotocol en het
verkrijgen van de benodigde goedkeuring door de M.E.T.C. (Medisch Ethische Toetsings
Commissie) van het Catharina-ziekenhuis te Eindhoven centraal stonden, zijn wij in januari 2002 gestart met de uitvoering van ons onderzoek.
De looptijd van ons onderzoek bedroeg een jaar. In dit jaar werden door de orthoptisten van de polikliniek oogheelkunde van het Catharina-ziekenhuis te Eindhoven 36 kinderen
ingesloten voor deelname aan ons onderzoek.

Pagina5_IMG_OBJ2

Deze groep werd at random verdeeld over vier testgroepen:
Eén controlegroep
(T0), en drie behandelgroepen, te weten: Eén groep waarbij één enkele osteopatische techniek werd toegepast, n.l. een specifieke behandeling een deel van de oogkas (sphenoïd) (T1). Eén groep waarbij een osteopathische deelbehandeling werd gegeven, te weten het cranium als geheel (T2). Eén groep waarbij een individueel aangepaste osteopathische totaalbehandeling werd gegeven (T3).
Het doel van deze onderzoeksopzet was drieledig:

Ten eerste was het de bedoeling om te onderzoeken of osteopathie een complementaire rol kan vervullen bij de behandeling van convergent / divergent strabismus. Ten tweede zochten wij een antwoord op de vraag of de toegepaste osteopathische interventie een invloed kan hebben op de onderzoeksresultaten bij een onderzoek volgens de zogenaamde black-boxmethode. Aangezien de osteopathie een manuele geneeskunde is, gebaseerd op een holistisch concept, leek het ons wenselijk om in geval van een onderzoek volgens de black-boxmethode een osteopathische totaalbehandeling als interventie te geven. Dit in tegenstelling tot de vele onderzoekingen die reeds zijn gedaan volgens de zogenaamde
randomized fundamental clinical trials.
Ten derde was een doel van deze pilotstudy het testen van de door ons opgestelde onderzoeks- en behandelprotocollen die later gebruikt zouden kunnen worden bij de uitvoering van zo’n totaal osteopathische benadering bij een onderzoek volgens de
black-boxmethode. Bij aanvang van het onderzoek werden de kinderen gemeten met behulp van de synoptofoor, een onderzoeksinstrument dat onder andere gebruikt kan worden voor het bepalen van de scheelzienshoek. In de daaropvolgende drie maanden ondergingen de kinderen uit de groepen T1, T2 en T3 drie osteopathische interventies.
Kinderen uit de controlegroep (T0) kregen in die periode geen osteopatische behandeling.

Na afloop werden de kinderen opnieuw gemeten met behulp van de synoptofoor.

De aan Pagina5_IMG_OBJ3het einde van ons onderzoek verzamelde data werden vervolgens ter analyse overhandigd aan de statistiekgroep van de Technische Universiteit te Eindhoven, Faculteit Wiskunde en Informatica. Na analyse met behulp van de zogenaamde variantie analyse (ANOVA) bleek het volgende:

– Er bleek een significant verschil te bestaan tussen de vieronderzoeksgroepen (T0, T1, T2 en T3). T0, T1 en T2 verschilden niet significant, T3 verschilde wel significant van de andere groepen.
– Bij de T3 groep had een gemiddelde vermindering van de scheelzienshoek van 4,1 graden
plaatsgevonden. Met 95% zekerheid kan men zeggen dat de werkelijke vermindering tussen de 2,5 en 5,6 graden ligt.
– Bij metingen door middel van een synoptofoor blijken er geen significante verschillen te
bestaan tussen orthoptisten onderling. Bij herhaling van metingen door één en dezelfde
orthoptist blijkt de standaardafwijking kleiner dan 1 te zijn. Sommige kinderen bleken echter onmogelijk correct te meten te zijn.
– Er blijkt geen verschil te bestaan tussen de verschillende behandelaren. Dit wil zeggen dat hun effecten goed te vergelijken waren. 

Hieruit konden we opmaken dat na een 3-tal behandelingen osteopathie bij scheelziende kinderen er een significant verschil te zien was. Ook de ouders konden waarnemen dat het scheelzien verminderd was.

PDF samenvatting:        ‘Scheelzien bij kinderen’

PDF gehele onderzoek: ‘Scheelzien bij kinderen’

2: Waarom werkt osteopathie?

Sinds enige jaren, door het wetenschappelijk onderzoek van Brian Degenhardt (et all 2007), begrijpen we beter waarom osteopathie leidt tot pijnafname en genezing:

Osteopathie activeert het zelfhelende vermogen van ons lichaam via het natuurlijke molecuul palmitoylethanolamide.

Osteopaten hebben zich natuurlijk vele jaren afgevraagd wat nu precies het mechanisme is dat leidt tot de verbetering. Sinds enige jaren is daar duidelijkheid in gekomen.

Doordat tijdens de osteopathische behandeling het zelf-genezende en helende molecuul palmitoylethanolamide [4] gevormd wordt, samen met andere helende en weefsel-beschermende lichaamseigen moleculen, leidt de osteopathie tot een nieuw evenwicht in het lichaam tussen deze stoffen en dus tot een vermindering van klachten. Osteopathie wordt ingezet bij klachten van ons bewegingsapparaat (bv bij rug- en nekklachten). Maar ook klachten aan de buik, en het zenuwstelsel kunnen behandeld worden. [1] Studies hebben de waarde van deze behandeling duidelijk aangetoond. [2][3].

Dat verklaart precies ook hoe een osteopaat zijn handelen omschrijft:

‘Een osteopaat behandelt geen ziekte maar stimuleert het natuurlijke genezingsproces.’

Palmitoylethanolamide (PEA) is een lichaamseigen stof die balans brengt, heelt, repareert en cellen beschermd tegen schade. Het wordt niet alleen tijdens en na osteopathie in verhoogde mate door het lichaam aangemaakt, maar ook als verdediging tegen infecties, ontstekingen en ernstige pijnen. [5] Osteopathie dan ook doorontwikkeld worden op basis van deze visie dat ons eigen lichaam genezende wegen kent.

Brian F. Degenhardt, osteopaat, samen met de wetenschappers Nissar A. Darmani, Vincenzo DiMarzo, een echte PEA kenner en anderen onderzochten wat het lichaam doet als antwoord op osteopathisch behandelen. Het blijkt dat osteopathisch handelen in een controle groep geen bijzonder effect heeft (de mensen zijn immers al in balans), maar bij patienten met pijnen gaat het lichaam tijdens en na de osteopathie vermeerderd PEA produceren.

Wat werd precies gedaan?

In a prospective, blinded assessment, blood was collected from 20 subjects (10 with chronic low back pain, 10 controls without chronic LBP) for 5 consecutive days. On day 4, ostheopathy was administered to subjects 1 hour before blood collection. Blood was analyzed for levels of -endorphin (E), serotonin (5-hydroxytryptamine [5-HT]), 5-hydrox-yindoleacetic acid (5-HIAA), anandamide (arachidonoylethanolamide [AEA]), and N-palmitoylethanolamide (PEA).

Er werd dus bloed verzameld in beide behandelgroepen, de gezonden en de mensen met chronische rugpijnklachten (ischias, rugpijn, hernia, etc). vervolgens werd osteopathie gegeven aan de gezonden, en de rugpatienten. Wat bleek?

The present study demonstrated that, though daily PEA blood concentrations can be variable, base- line PEA concentrations were not significantly different between the chronic LBP and control groups. Osteopathic manipulative treatment increased PEA concentrations in both study groups at 30 minutes posttreatment, with significantly greater changes observed in the chronic Low Back Pain group at that time interval. This change persisted in the overall study population, but it did not persist after 24 hours for either group independently.

These findings suggest that OMT causes a short-lived but greater increase in PEA concentrations in subjects with chronic Low Back Pain, relative to the increase in subjects without chronic Low Back Pain.

Na deze studieresultaten begrijpen we waarom osteopathie zo een brede indicatie heeft, van fibromyalgie tot en met hernia pijn. In al deze gevallen wordt door de osteopaat PEA synthese veroorzaakt. Inmiddels zijn er ook osteopaten die hierop wijzen, bijvoorbeeld op hun website. Het heeft lang geduurd, voordat men begreep waarom osteopathie doet wat het doet. Met PEA hebben we nu een aangrijpingspunt. Daarom is de combinatie osteopathie samen met het geven van het supplement PEA ook een bijzonder goed idee. Er zijn meer studies die aangeven, dat combinbaties van complementair handelen en PEA versterkte genezingseffecten hebben. [6]

Juni 2015, prof. dr. Jan M.K.Hesselink, arts en neuro-acupuncturist.

Referentie
[1] Degenhardt BF1, Johnson JC, Gross SR, Hagan C, Lund G, Curry WJ. | Preliminary findings on the use of osteopathic manipulative treatment: outcomes during the formation of the practice-based research network, DO-Touch.NET. | J Am Osteopath Assoc. | 2014 Mar;114(3):154-70. doi: 10.7556/jaoa.2014.033.

[2] Licciardone JC1, Kearns CM, Minotti DE. | Outcomes of osteopathic manual treatment for chronic low back pain according to baseline pain severity: results from the OSTEOPATHIC Trial. | Man Ther. | 2013 Dec;18(6):533-40. doi: 10.1016/j.math.2013.05.006. Epub 2013 Jun 10.

[3] Prinsen JK1, Hensel KL, Snow RJ. | OMT associated with reduced analgesic prescribing and fewer missed work days in patients with low back pain: an observational study. | J Am Osteopath Assoc. | 2014 Feb;114(2):90-8. doi: 10.7556/jaoa.2014.022.

[4] Degenhardt BF1, Darmani NA, Johnson JC, Towns LC, Rhodes DC, Trinh C, McClanahan B, DiMarzo V. | Role of osteopathic manipulative treatment in altering pain biomarkers: a pilot study. | J Am Osteopath Assoc. | 2007 Sep;107(9):387-400.

[5] Darmani NA, Izzo AA, Degenhardt B, Valenti M, Scaglione G, Capasso R, Sorrentini I, Di Marzo V. | Involvement of the cannabimimetic compound, N-palmitoyl-ethanolamine, in inflammatory and neuropathic conditions: review of the available pre-clinical data, and first human studies. | Neuropharmacology. | 2005 Jun;48(8):1154-63.

[6] Kopsky DJ, Hesselink JM. | Multimodal stepped care approach with acupuncture and PPAR-α agonist palmitoylethanolamide in the treatment of a patient with multiple sclerosis and central neuropathic pain. | Acupunct Med. | 2012 Mar;30(1):53-5. Epub 2012 Feb 1.